Toen ik op de lagere school zat stond in ons taalboek een gedicht van Staring.... Het kameleon.
Wij moesten het uit ons hoofd leren (ik ken het nog steeds) en ik vond het prachtig.
Daarna kwam ik vaker gedichten van Staring tegen en ik werd fan!
Zijn puntdichten vind ik echt geweldig, zoals: "De leraar in zijn wijsheid gist, de leerling in zijn waan beslist" of "De rijpe kennis hoort, de onrijpe neemt het woord".
Deze vind ik ook erg goed:
Aangebrand:
Aagt Morsebel nam kleinen Piet
In kost, en als het kind, te middag aangezeten,
Haar soms zijn walging merken liet:
De vieze bijsmaak van heur knoeisels werd geweten
Aan kaarsvet, roet, noch snuif; 't was altoos: ’Lekkertand,
Wat zou ‘ het zijn, als aangebrand?’
Nu kwam er eens een schotelvol groen eten
Te voorschijn, die Kok Aagt spinazie had geheten:
Hiervan kreeg kleine Piet zijn deel op 't bord gesmakt;
Hij roert er in: hij vindt twee achterpooten
Van d'armen kikvorsch, onder 't warmoes kort gehakt,
En legt, met de oogen half gesloten,
Zijn eetvork neêr, terwijl hij vraagt:
Heeft aangebrand ook voetjes, moeder Aagt?’
En deze:
Huiskrakeel:
Piet Fop was met zijn Vrouw aan 't kijven.
Zij smeet hem, naar de aard der wijven,
De sleutels naar de kop!
Piet nam ze lachend op,
En sprak: "mijn Kind, zal IK na deze
De sluiter in dit Dolhuis wezen?"
En waar mijn liefde voor Staring mee begon:
Het kameleon:
- Een Vreemdling wandelde aan de kust,
- Waar de asch van 't groot Carthago rust:
- Daar kwam een Tweede hem te moet,
- Als landsman kenlijk, bij zijn groet.
- Met zet zich neer, en 't lijdt niet lang,
- Of 't reisverhaal is drok te gang:
- Elk brengt wilvaardig voor den dag,
- Wat raars of schoons hij zwervend zag.
- Tot A. begin: "Het koddigst Dier,
- Mij ooit bejegent, huisvest hier:
- Van maaksel schier een hagedis;
- Zijn staart - lang tien duim, naar ik gis;
- Zijn tong voor mug en vlieg te gaauw;
- En nu de kleur? denk! hemelsblaauw!"
- ""Blaauw! blaauw!"" smuilt B. "'k herken uw Beest;
- Maar, Vriend, dat is nooit blaauw geweest.
- Met hiet het een Kameleon.
- Ik vond het schuilend voor de zon
- In 't lommer van een dadelsbosch;
- Daar kroop het, net zo groen als 't mos!""
- "Noch boom, noch struik, een mijl in 't rond,
- Waar ik het MIJNE kruipen vond:
- Ginds; aan dien naakte puinhooptop.
- Het volle daglicht scheen er op;
- Geen mooglijkheid tot oogbedrog;
- En 't Beest was blaauw; dat zeg ik nòg!"
- ""Groen! groen! geloof mij!"" "'k zeg u blaauw!"
- ""Groen!"" "Blaauw!" Zoo gaat het; snaauw op snaauw.
- Men stampvoet, blikoogt, vloekt en zweert:
- De vriendschap was in grim verkeerd!
- Als, zie, een Derde Wandlaar kwam,
- Die reeds van ver hun twist vernam!
- Zijn woord is: "Heeren, kiest in mij
- Uw scheidsman! 'k Hoor tot geen partij.
- Bij 't lamplicht, ving ik, heden nacht,
- Het Dier, dat u aan 't kijven bragt,
- En draag 't in dit servet geknoopt,
- Naar Tunis, of 't er iemand koopt.
- Ik weet naauwkeurig wat ik ving:
- Zwart! gitzwart is het leelijk Ding!
- Is 't blaauw, of groen, dan sta ik klaar,
- En eet het op, met huid en haar!"
- Hier slaakt hij 't, en, voor zwart als git,
- Vertoont zich 't arme schepsel WIT! -
- Géén sprak er, dan 't Kameleon;
- Juist van een ras, dat spreken kòn'.
- Het sprak: "Goe Luidjes, hoort hoe 't is:
- Elk had gelijk, en elk had mis!
- De kleur, bij dieren van mijn slag,
- Verwisselt zesmaal op een dag.
- Doch laat mij nu in vrede gaan!
- 'k Bied u een raad, als losgeld, aan:
- Schijnt andren wat u krom scheen regt,
- Heet niemand daadlijk dom of slecht."
Hij heeft nog veel meer geschreven, vaak zit er iets geks in, soms een wijze les.... ik hou ervan!
